Hoofdstuk 17: Funske in La France: de huwelijksreis

 Nou nou... het kon er nog van af.

Een huwelijksreis.

Met veel moeite had baasje, pardon, de EEGA , vrouwtje ervan overtuigd dat ze echt wel een weekje mochten genieten van hun huwelijkse inzegeningen. Deels van boven geregeld, zoals jullie weten.

Volgens baasje zou het allemaal goed komen.

Er was een vervangende dierenarts geregeld voor de praktijk.

Vrouwtje had alleen wel een handleiding geschreven van ongeveer de dikte van een telefoonboek. Daardoor moest die arme vervanger waarschijnlijk een week langer betaald worden om alles te lezen.

En dan waren er natuurlijk nog Lucky, De Bock, Trixie en de rest van de dierentuin.

Maar ook daarvoor waren mensen geregeld.

En back-ups.

En back-ups voor de back-ups.

Baasje liep nog altijd op een roze wolk.

Vrouwtje ook wel een beetje.

Maar dan praktisch.

Zoals altijd.

Ik dacht:

Ga toch lekker weg. Jullie verdienen het. Even rust. En wij thuis ook.

Maar nee.

"Funske gaat natuurlijk mee naar la France."

La France?

Nooit van gehoord.

Is dat een restaurant?

Dat klonk namelijk veelbelovend.

"Funske, parlez-vous français?" vroeg baasje lachend.

"Gewoon blaffen," zei vrouwtje. "De hondentaal is overal hetzelfde."

Haha.

Heel grappig.

Moest ik soms weer een nieuwe taal leren?

Ik spreek al hond.

Een beetje kat.

Wat paard.

En inmiddels zelfs wat Limburgs.

Dat lijkt trouwens verdacht veel op een keelontsteking.

Maar goed.

We gingen dus naar Frankrijk.

Naar de Dordogne.

Nooit van gehoord.

Maar baasje had mij inmiddels warm gemaakt.

Er was een barbecue.

Een zwembad.

Veel wandelingen.

Lekker eten.

En ik mocht tien uur slapen in de auto.

Tien uur.

TIEN UUR!

En mijn plasjes dan?

Mijn poepjes?

Mijn carrière?

Om vijf uur 's morgens ging de wekker.

Vakantie noemen ze dat.

De auto zat tot het dak vol.

Mijn bench stond vastgesnoerd.

Water mee.

Brokjes mee.

Koekjes mee.

Prioriteiten.

En daar gingen we.

Eigenlijk viel de reis best mee.

Ik sliep.

Ik at.

Ik sliep weer.

En ondertussen oefende ik mijn Frans.

Péage.

Sortie.

Bienvenue.

Overal zag en hoorde ik Franse woorden.

Baasje spreekt namelijk verrassend goed Frans.

Vrouwtje krijgt onderweg voortdurend les.

Ik hoor regelmatig:

"Nee Ma chère, zo spreek je dat niet uit."

En dan zie ik vrouwtje met haar ogen rollen.

Ik doe alsof ik slaap.

Maar stiekem luister ik natuurlijk mee.

Een internationale hond moet voorbereid zijn.



Op een gegeven moment wist ik het.

We waren er bijna.

Bocht.

Bocht.

Nog een bocht.

Nog meer bochten.

Mijn ontbijt wilde alweer omhoog.

Ik slikte dapper.

De bergen verschenen.

De krekels klonken harder dan alle Limburgse varianten samen.

En toen...

Daalden we een prachtig dal in.

Een lange oprijlaan.

Een groot zwembad.

Een roodbruine landelijke woning.

Een overkapping zo groot als een vliegveld.

"Wat mooi!" kirde vrouwtje.

 

We stapten uit.

Meteen verscheen er een meneer.

En opeens leek baasje van een andere planeet te komen.

Die begon allemaal rare dingen te zeggen.

"Bonjour."

"Bienvenue."

"Merci."

"Wijsneuzerij."

Toen hoorde ik vrouwtje trots zeggen:

"C'est notre voyage de noces."

“Dat betekent huwelijksreis, Funske”.

Volgens mij klinkt het meer als een exclusieve rookworst.

Maar goed.

Toen niemand oplette deed ik wat iedere verantwoordelijke hond zou doen.

Ik inspecteerde het huis.

Een gordijn.

Interessant.

Een geur van een vorige hond.

Dus ik liet beleefd weten dat ik er nu ook woonde.

Op zijn Frans.

Met één pootje omhoog.

 

Daarna kregen we eindelijk het rijk alleen.

Vrouwtje rende door het huis alsof ze een loterij had gewonnen.

"Funske, kijk die tuin!"

"Funske, kijk dat uitzicht!"

"Funske, kijk dat zwembad!"

Dat zwembad zag eruit als een oceaan.

"Daar mag je niet invallen hè."

Maak je geen zorgen vrouwtje.

Dat risico is nihil.

Toen kreeg ik een gigantisch bot.

"Omdat je zo braaf was op de bruiloft."

Jaja.

Ik deed gewoon mijn plicht.

Maar een cadeau is een cadeau.

Ik sleepte het bot meteen de tuin in.

En begroef het.

Toen nog eens.

En nog eens.

Je weet nooit wat hier rondloopt.

Ik had namelijk al een andere hond gehoord aan de overkant van de tuin.

Mijn territorium moest onmiddellijk beveiligd worden.

De barbecue ging aan. 

Er werd gezwommen.

Gelachen.

Gegeten.

Het leven was goed.

Ik ontdekte alleen een vreemd dier.

Een eend.

Die dobberde midden in het zwembad.

Ik liep er uren omheen.

"Kom hier!"

"Piep!"

"Piep!"

"Kom dan!"

Maar die eend bleef drijven.

"Ach kijk nou," zei vrouwtje.

"Hij wil dat dobber-eendje pakken maar hij durft het zwembad niet in, het zal wel te diep zijn… wat is hij toch slim he?”

Ja duh…. Ik ben een Corgi!

Zelfs de stenen trappen in het zwembad ga ik na lang aandringen en zeuren van vrouwtje tot enkelhoogte in. Ik vind het maar niks.

“ach , wel flauw hoor Funske, thuis doe je ook altijd swempie wempie”

Ja maar dit is geen sloot, dit is een Piscine! Nou vind ik dat laatste wel weer interessant KLINKEN, maar daar houdt het dan ook mee op: even mijn pootje omhoog naast het zwembad, dat durf ik nog wel!

 

De dagen vlogen voorbij.

Wandelen.

Meren.

Riviertjes.

Dorpjes.

Terrasjes.

Worstjes.

Barbecue.

Nog meer worstjes.

Ik voelde mezelf langzaam veranderen.

Een Bourgondiër.

Een Fransman.

Een petit chien.

 

Tot de grote verdwijningsactie.

Op een middag waren baasje en vrouwtje mij kwijt.

Volledig kwijt.

Ik hoorde ze overal zoeken.

"FUNSKE!"

"Niet het zwembad!"

"Zijn bot ligt hier nog!"

"Waar is hij?!"

Werkelijk.

Je bent twintig meter verder en meteen begint een internationale opsporingsactie.

Want waar stond ik?

In de keuken van de verhuurder.

Natuurlijk.

Dat andere hondje had mij vriendelijk uitgenodigd.

Of eigenlijk had ik mezelf uitgenodigd.

De vrouw des huizes vond mij:

"Très adorable."

En zei:

"Oh, petit chien! Voilà une saucisse!"

Nou.

Dat zijn precies de woorden die ik graag hoor.

Ik stond daar dus heerlijk naast mijn nieuwe vriend Chientje.

Worst te eten.

Leven te vieren.

Integreren.












Toen stormden baasje en vrouwtje binnen.

Rood hoofd.

Zweet.

Paniek.

Drama.

"Funske!"

De Franse mevrouw zei rustig:

"Ah oui, le petit chien, il est ici."

Ja.

Dat wist ik ook.

Vrouwtje keek alsof ze mij een maand huisarrest wilde geven.

Baasje was vooral opgelucht.

"Zo Funske," zei hij. "Jij hebt alweer vrienden gemaakt. Goed zo. Jij integreert goed."

Trots klopte hij op mijn hoofd.

Vrouwtje mompelde nog iets.

Frans.

Limburgs.

Of een combinatie daarvan.

Geen idee.

 

Na een heerlijke week keerde ik terug naar Nederland.

Naar Lucky.

Naar De Bock.

Naar Trixie.

Naar de praktijk.

Naar de chaos.

Maar inmiddels was ik wel een internationaal hond geworden.

Een wereldreiziger.

Een Bourgondiër.

Een ambassadeur van de Frans-Nederlandse betrekkingen.

En zoals mijn nieuwe Franse vrienden zouden zeggen:

Le petit chien terrible.

En gelijk hebben ze.

Reacties