Hoofdstuk 10: Trixie, Tante Trixie, Trix

Hoofdstuk 10: Trixie, Tante Trixie, Trix

Ik hobbel hier al een tijdje rond, dus ik begin de kattentaal inmiddels een beetje te spreken. Niet dat ik er trots op ben, maar ja… je moet wat, in een samengesteld gezin met meer katten dan hersencellen.

Blijkbaar woont er hier nóg een kat: Trixie.
Ik dacht eerst dat het een zwerver was. En eerlijk? Zo ver zat ik er niet naast.

Op een barre avond stond ze ineens achter in de tuin bij de serre:
mieuw mieuw, ik heb honger en heb het koud, ik ben twee maanden oud, help mij…
Nou ja, dat laatste verzin ik...

Baasje vond haar natuurlijk.
“Kijk eens wat ik gevonden heb!”
En hop, binnen was ze.
“Ach wat zielig, ik geef haar eten.”
En Trixie? Die had allang door waar de kattenbrokken stonden.
Hap hap, het hele huis door.
Voor baasje het wist zat ze al boven op de kattenkamer te smikkelen.

Naar beneden met dat vieze ding!” riep vrouwtje.
“En als ze gegeten heeft, zet je haar maar weer buiten in de stal. We hebben al drie katten, één paard en vijf konijnen!” (ja ook nog..)

Met pijn in zijn hart zette baasje haar buiten.
“Hij komt vast uit de buurt, hij is brutaal genoeg,” zei vrouwtje nog.

Nou, Trixie zou Trixie niet heten als ze de volgende ochtend niet gewoon weer voor de deur stond.
Baasje kon het natuurlijk niet laten.
En voor ze het wisten zat er een kitten op vrouwtjes bed.
Baasje gaf haar zelfs snoepjes in bed.

Hap in zijn vinger.

En toen had ze dus haar naam: Trixie. (ook Tante Trixie, of Trix)
The Fat cat was ook een goede naam geweest want zij heeft inmiddels wel voldoende haar slechte start gecompenseerd..."   
Maar dat komt door de sterilisatie" zegt vrouwtje dan weer...

Vrouwtje zuchtte: “Ach ja, dan blijft die maar weer.”
Maar eerst moest ze door het hele dierenartsen‑bataljon heen:
ontwormen, ontvlooien, vaccineren…
En toen mocht ze blijven.

Trixie is chill.
Ik heb weinig last van haar.
Ze komt, ze gaat, ze is een echte buitenkat.

Lucky daarentegen…
Die moet de deur open, dan weer dicht, dan weer open, dan weer dicht.
Hij staat binnen vijf minuten alweer op het raamkozijn met zijn pootjes de ramen te wassen.
Ik word er zo moe van.

Maar Trixie leert me dingen.
Zoals muizen vangen.

Ik zag de katten altijd spelen met zo’n leuk bewegend speeltje.Tikken, weggooien, wachten, erop springen…
Beetje apporteren.


Nou, dat kan ik ook, dacht ik.

Trixie liet het me zien.
En nu ben ik een gedegen muizenpletter.
Baasjes maken er graag gebruik van.



Alleen… ik snap niet waarom mijn speeltjes zo snel kapot gaan.

Ik tik, ik gooi, ik ren erheen en rol er dan overheen.
En dan doet ie het niet meer.
Baasje noemt me dan “domme hond” en “de tank”.
Nou ja, complimentje neem ik aan

Trixie neemt ook Lucky vaak op sleeptouw.
Of dat slim is?
Nee.

Lucky heeft niks aan de dikke en de grijze — die zijn nog steeds hysterisch.
Dus Trixie is zijn maatje.

Maar Lucky is dom.
Hij rent achter Trixie aan de eikenboom in.
En dan zit hij daar uren vast.
Vrouwtje lokken: “Kom dan! Spring dan! Moeten we de brandweer bellen?”

Of ze rennen bij de buren in de tuin.
En toen was Lucky dus twee nachten kwijt.
Vrouwtje snikkend overal zoeken, posters ophangen, asiels bellen…
Ik dacht: hehe, die is weg…

Tot ze hem zag bij de buurman achter het zolderraam.
Vrouwtje naar binnen stormen. De hele zolder was één grote kattenbak, stank voor dank, en tóch stond vrouwtje daar met Lucky in haar armen — natuurlijk onder de krassen — tegen de buurman te roepen: “Als er schade is hoor ik het wel! Maar eerst ga ik hem even grondig onderzoeken!”

Dierenartsen‑modus. Altijd. Overal.

En Lucky liep weer alsof hij even op zakenreis was geweest.
Niks aan de hand jongens.
Weer een leven minder

Maar nu komt het.

De laatste tijd zit er een dikke rode kater op onze loungebank buiten.
Trixie moet hem niet.
Ze is geen herriezoeker.
Ze wil vrede.

Ik niet.
Ik ben wél een herriezoeker.
En die rode moet hier sowieso niet zijn.

“Hij komt uit de buurt,” zegt vrouwtje.
“Ach, het is wel een gezellige…hij heet Franzel en zijn baasje komt bij mij in de praktijk, dan maak ik de achterdeur open na de vaccinatie en dan loopt hij gewoon naar huis, grappig he?”

Gezellig? Grappig?
Er liggen elke dag vieze rode haren op de bank en het stinkt.
Trixie verstopt zich als ze hem ziet.

En toen was ik het zat.

Ik zat braaf in de serre.
De hordeur was dicht.
Het was warm.
Ik was rustig.

Toen kwam die rode weer aan kakken.
En Trixie kwam net de hoek om.
Ik hoorde haar roepen: “Ga weg!”

Maar Franzel liep gewoon op haar af.

En toen Trixie zelfs in haar broek plaste van angst…

Was het genoeg.

Ik — de tank — stormde naar buiten,
nam de hele hordeur mee,
en joeg die rode weg.

Hopelijk voor altijd.

En toen ik dus als een ware tank die rode Franzel had weggejaagd — hordeur half aan flarden, adrenaline nog in mijn poten — dacht ik natuurlijk dat iedereen trots zou zijn. Maar nee hoor.

Vrouwtje was alleen maar boos om die hordeur. Alsof die deur het echte slachtoffer was.

En later hoorde ze ook nog eens dat Franzel met zijn baasjes verhuisd is en nu ergens op een flatje zit. Nou, toen brak haar hart natuurlijk weer in zeven stukken. “Ach gossie, dat arme beest,” zei ze. Ik stond erbij en dacht: arme beest? Hij terroriseerde Trixie! En maakte de bank vies, en….

Maar ja… vrouwtje gelooft liever dat hij zielig is dan dat ík hem gewoon verjaagd heb.

En ik? Ik sta erbij, hordeur aan flarden, Trixie weer veilig, en niemand die ziet dat ik hier de enige ben die het echte werk doet.


Wil je geen nieuw hoofdstuk missen: Volg ons op instagram om updates te krijgen:https://www.instagram.com/funskedecorgie


Pssst… er is meer. Vrouwtje heeft een betaalde rubriek: Aan het hek – De geheime verhalen. Daar vertel ik (Funske) wat er écht gebeurt bij het hek. Met 4 extra verhalen, sappige praktijkroddels, educatieve uitleg (bah), én recht op een gratis e‑mail-, chat- of videoconsult t.w.v. €35,00.

Reacties