Hoofdstuk 5. Lucky the Fat Cat, Ukkie-Pukkie, Pluckie

 

Hoofdstuk 5 . Lucky the Fat Cat, Ukkie‑Pukkie, Pluckie



Ik woon hier nu een paar dagen en heb me eens goed opengesteld voor de mensen en dieren om me heen. En Lucky… tja. Die heb ik eens nader bekeken. Onderzocht. Mijn corgi‑oortjes (wel hangend, maar toch) goed te luisteren gelegd.

Lucky heeft hier trouwens meer bijnamen dan ik brokjes op een dag. Vrouwtje en baasje noemen hem “Lucky the Fat Cat”. Geen idee waarom, want hij is zo mager als maar zijn kan. Waarschijnlijk een inside joke van de baasjes. Baasje zegt “Ukkie Pukkie”. Dat is dan weer liefkozend. En omdat hij ooit achter een wasmachine vandaan geplukt moest worden, noemen ze hem soms ook “Pluckie”.

Ik noem hem gewoon Lucky. Dat is al ingewikkeld genoeg voor een kat met zoveel gedoe.

Maar ik heb dus van horen zeggen — baasje en vrouwtje kletsen nogal wat — dat Lucky van het oude werk van vrouwtje komt. Daar werkte zij als dierenarts, onder andere voor een asiel.

En toen… kwam Lucky.

Die arme, arme Lucky werd op een avond binnengebracht door een collega van vrouwtje.
In een kooi. Met pijnstilling.
Want aj aj, zijn poot was gebroken.
En hoe kwam hij binnen?
Met de dierenambulance. Met zwaailichten.
Wat een aansteller.
Zelfs ík weet dat katten niet doodgaan van een gebroken poot.

De volgende dag moest vrouwtje foto’s maken.
Er waren geen eigenaren bekend, dus alleen het hoogst noodzakelijke.
Foto’s dus.
En wat bleek?
Meervoudige kniebreuk.



“Oei… niet goed,” zei vrouwtje.
En toen kwamen de vragen.
Amputeren?
Opereren?
Kosten?
Levenskwaliteit?
En waarom zoekt niemand deze kat? Nou ja… te begrijpen natuurlijk. Gnagna.


De beslissing werd: hokrust, 6–8 weken, met pijnstilling. Volgens de senior dierenarts zou het helemaal goed komen. Vrouwtje was niet overtuigd. Maar ja — zo gezegd, zo gedaan.
En zo had vrouwtje ineens een praktijkkat.

Of hij toen al Lucky heette?
Geen idee.
Ik zou hem eerder Pechkat noemen.
Of Zwarte Kat in de Morgen Brengt…
Nou ja, je snapt het..

Maar goed: hij deed het verrassend goed.
At goed.
Was alert.
Wilde uit de kooi.
Dat begrijp ik dan nog wel.
Af en toe mocht hij op “de slup” of op het bureau in de wachtkamer wat op en neer manken.
En soms haalde hij uit naar vrouwtje als hij genoeg had van aaien.
Maar eerst slijmen. Rotkat, zei vrouwtje dan.

Baasje hoorde dit allemaal en zei in het weekend altijd:
“Kom, we gaan even naar Lucky, de kreupele.”
Ondanks dat hij zijn natje en droogje kreeg van het asiel.
Overdreven bezorgd, die twee. En zeker mijn baasje, dat is zo’n softie. Die smelt al als een kat niest. Laat staan als er eentje mank loopt.
Maar zo kwamen Lucky en baasje nader tot elkaar.

Toen kwam de kerstperiode.
En de vraag: “wat doen we met Lucky?”
Alleen laten in de praktijk?
Zonder vrouwtje?
Onmogelijk.
Hij had al zes weken hokrust erop zitten. Liep al beter. Maar nog steeds met knikkende knieën.

Baasje zei:
“Dan brengen we hem naar Opa en Oma. Die hebben geen kat meer en willen dat heel graag.”
Vrouwtje had meteen weer een lijst met voors en tegens.
Zonder haar deskundig toezicht zou dat toch niks worden?
Maar ja… zij hadden al twee katten thuis.
De dikke en de grijze.
Angsthazen.
Veel te gestrest voor nog een kat.

Dus: Lucky in het reismandje naar Opa en Oma.

Eerst in de bijkeuken eruit.
Maar Lucky dacht: nee hoor, hier wil ik niet zijn.
En verstopte zich achter de wasmachine.
“Zie je wel! Hij wil dit niet!” riep vrouwtje.
Dus het hele washok moest worden afgebroken.
En Lucky werd achter de wasmachine vandaan geplukt.
Daarom heet hij ook Pluckie.

Maar toen... mee naar het (vorige)huis… ging het deurtje open.
Lucky liep eruit alsof hij ook daar de CEO was.
Alsof hij niet net in zijn broek had geplast van de stress.
Alsof hij al jaren de baas was.
De “dikke” en de “grijze” (officiële namen: Iwy en Zoë) renden natuurlijk meteen weg.

“Zo, die voelt zich hier thuis,” zei vrouwtje trots. Met een blik naar baasje van: ik zei het toch.

Lucky moest rusten, dus werd hij opgesloten in de werkkamer boven.
En als de baasjes thuis waren, werd hij naar beneden gedragen.
Want hij mocht absoluut geen trappen lopen.
Zogezegd, zo gedaan.

Elke ochtend was er een ritueel.
Snoepjes naar Iwy en Zoë gooien.
Ook van de trap af. Dan stormden ze naar beneden.
Die ochtend ook.
Maar wat bleek?
Die taaie Lucky — de kreupele — dacht: ik heb niks.
En rende gewoon mee.
Of eerder: hobbelde.
En toen besloten de baasjes maar dat hij vrij mocht in huis.

En nu, inmiddels verhuisd, rent en klimt hij overal in.
Komt er soms niet meer uit.
En is hij dus inderdaad Lucky.
Want hoeveel levens heeft hij nog over?

Wil je geen nieuw hoofdstuk missen: Volg ons op instgram om updates te krijgen:https://www.instagram.com/funskedecorgie

Pssst… er is meer. Vrouwtje heeft een betaalde rubriek: Aan het hek – De geheime verhalen. Daar vertel ik (Funske) wat er écht gebeurt bij het hek. Met 4 extra verhalen, sappige praktijkroddels, educatieve uitleg (bah), én recht op een gratis e‑mail-, chat- of videoconsult t.w.v. €35,00.


Reacties