Hoofdstuk 4. Thuis, de eerste dag!

 Hoofdstuk 4. Thuis, de eerste dag!

We komen aan. De auto stopt. De deur gaat open en BAM — ik sta ineens voor een huis dat groter is dan mijn toekomstplannen. En overal groen. Zoveel groen dat ik meteen begin te scannen waar ik straks mijn botjes kan verstoppen. Je weet maar nooit wie er allemaal rondloopt in zo’n oerwoud.

Dan waaien er blaadjes voorbij. Hap. In mijn mond. En mee naar binnen.

Maar terwijl ik naar binnen hobbel, zie ik vanuit mijn ooghoek iets in de wei. Een groot bruin gevaarte. Het beweegt. Het kijkt. Het heeft mij gespot. Later maar eens uitzoeken wie of wat dát is. Misschien een soort hond, maar dan op stelten.

Binnen probeert vrouwtje ondertussen verwoed de blaadjes en takjes uit mijn mond te vissen. Alsof ik dat vrijwillig ga afgeven.

En dan — woesh! — rennen er twee katten weg. Die ken ik nog van de boerderij: een hele dikke ( die beweegt alsof ze een abonnement heeft bij de snackbar)en een grijs ding . Ze blazen al voordat ik überhaupt “hallo” kan zeggen. Hoe zeg je dat eigenlijk in het Limburgs? “Haw pin?” Geen idee. Ik had geen tijd om de taal te leren, ik was druk met overleven.

Maar dan… Uit het niets… Draait er een zwart‑witte kat de hoek om. Hij loopt een beetje alsof hij net van een feestje komt, niet helemaal stabiel als je begrijpt wat ik bedoel… Zo’n type dat struikelt over zijn eigen poot maar daarna zegt: “Dat hoorde zo.”

“Dit is Lucky,” zegt vrouwtje. “En Lucky, dit is Funske. Lief zijn voor elkaar hè?”

Lief zijn. Tuurlijk. Maar Lucky kijkt me aan alsof híj de CEO van dit huis is. En in het voorbijgaan probeert hij me een mep op mijn fopneus te geven. Wankel wankel. Vrouwtje roept meteen: “Foei Lucky, voorzichtig! Hij is nog klein!”



Blijkt dat Lucky herstellende is van een pootbreuk. Dacht al dat hij niet de snuggerste was. Benieuwd wat daar het verhaal achter is.  En die naam… Lucky. Alsof je geluk hebt met een gebroken poot. Pfff. Ben benieuwd.

Ondertussen kijk ik verder rond. Er staat een bench in de serre. Hoezo bench? Ik woon nu toch in deze grote wigwam?

Er staan bakjes voer en water klaar, maar ik zie iets veel beters: Kattenbrokken. Hap hap hap. Al op. Lekker baasjes. Ik ben een fijnproever

Dan zegt baasje dat we even op de bank gaan zitten, want er komt zo bezoek. Hij gaat koffie zetten. Ik krijg amper tijd om te acclimatiseren, want binnen tien minuten staat de halve buurt binnen, Opa en oma, vrienden van de baasjes.

En dan hoor ik vrouwtje tegen iemand aan de telefoon zeggen (die óók nog wil komen…): “Nee, jullie mogen niet jullie hond meenemen. Hij moet eerst rusten.

Maar ik zweer het: vlak daarvoor had ze al tegen baasje zitten smiespelen. Zo van: “Er mogen nu echt geen vieze virussen en bacillen binnenkomen hoor. Ik wil hem eerst nog eens extra controleren… en behandelen… en observeren… en weet ik veel wat nog meer.”

Alsof ik een wandelende biohazard ben. Ik heb gewoon mijn 9‑wekenprik gehad. Oké, die van 12 weken moet nog komen, maar kom op — ik ben niet van suiker.

Maar nee hoor. Vrouwtje stond al in haar dierenarts‑modus: klinische blik, armen over elkaar, lichte paniek in de ogen, alsof ik elk moment kon ontploffen van een bacterie die ik nog niet eens had ontmoet.

En dan zegt ze dus doodleuk dat ik moet rusten.

Wat? WAT?! Rust. Ik. Rust.

Ik wil helemaal niet rusten. Ik wil spelen. Rennen. Snuffelen. Die suffe katten doen hier toch niks — die blazen alleen maar en verdwijnen als rookwolken. Eindelijk een hond om mee te ravotten en dan mag het niet. Schande.

Maar goed. In plaats daarvan krijg ik… mensen. Heel. Veel. Mensen.(alsof die niet vies zijn…)

Ze komen één voor één binnen, alsof er gratis brokjes worden uitgedeeld. En allemaal moeten ze me aaien, knijpen, kusjes geven, “och och och wat een schatje” roepen, en me op schoot trekken — of zoals ze hier zeggen: “op de slup”.

Ik word van hand tot hand doorgegeven als een soort levende knuffel die piept als je erin knijpt. En iedereen vindt zichzelf héél bijzonder omdat ik bij hén blijf zitten.

En ik? Ik ben moe- Dus val ik in slaap. Op schoot bij iemand die ik niet ken. Volgens mij is het Oma. Vrouwtje mompelt nog: “Oh, die is ook niet eenkennig. Slaapt bij iedereen.” Volgens mij is vrouwtje jaloers. Maar ja — pech. Ik ben moe. Heel moe. Van het huis, de katten, het bruin gevaarte buiten, de blaadjes, de brokjes, de mensen, de “slup”, het leven.

Dus ik doe wat elke verstandige hond doet: Ik sluit mijn ogen, draai me nog even om, en val in slaap.

Welterusten.

Pssst… er is meer. Vrouwtje heeft een betaalde rubriek: Aan het hek – De geheime verhalen. Daar vertel ik (Funske) wat er écht gebeurt bij het hek. Met 4 extra verhalen, sappige praktijkroddels, educatieve uitleg (bah), én recht op een gratis e‑mail-, chat- of videoconsult t.w.v. €35,00.

Reacties